Biologische bestrijding van luis en bladluis

Biologische luizenbestrijding begint bij het gewas en de aanwezige luis. Zwarte bonenluis op bonen, gewone rozenluis en groene perzikluis vragen om soortherkenning. Sluipwespen, roofmuggen, lieveheersbeestjes en gaasvliegen zijn groepen natuurlijke vijanden die bij bladluisbestrijding worden ingezet. Bekijk bij controle zowel de kolonie als aanwezige predatoren en geparasiteerde luizen.

Bladluizen zuigen plantensap. Daardoor kunnen bladeren krullen en groeipunten vervormen. Ze kunnen ook plantenvirussen overbrengen. Honingdauwproducerende soorten laten een kleverige laag achter waarop roetdauw kan groeien. Zoek kolonies aan de bladonderzijde, stengels, knoppen, bloemen en vruchten.

Onder de soorten vallen Macrosiphum rosae, Aphis fabae, Myzus persicae en Aphis gossypii. Groene perzikluis komt onder meer voor op perzik en aardappel. Katoenluis wordt aangetroffen op onder andere komkommer, meloen, paprika en chrysant.

Biologische bestrijding van zwarte luis en andere luizen

Tegen zwarte luis, zoals de zwarte bonenluis, en tegen andere luizen zet u dezelfde natuurlijke vijanden in: sluipwespen, roofmuggen, lieveheersbeestjes en gaasvliegen. Kijk in de kolonie welke predatoren en geparasiteerde luizen al aanwezig zijn.

Bladluizen op rozen biologisch bestrijden

Bladluis is in roos een steeds groter probleem dat moeilijk te bestrijden is, omdat het pakket aan chemische middelen kleiner wordt. In een rozenkas kwamen drie soorten voor: de aardappeltopluis, de roos-grasluis en de gele rozenluis (Rhodobium porosum). Kijk dus welke luis op uw rozen zit voordat u natuurlijke vijanden bestelt.

Een rozenteler in Waddinxveen zette bij een proef op 0,1 hectare vijf natuurlijke vijanden tegelijk in: de sluipwespen Aphidius ervi en Aphelinus abdominalis en de predatoren Aphidoletes aphidimyza, Propylea quatuordecimpunctata en Sphaerophoria rueppellii. Daarmee hoefde 20 weken lang geen chemisch middel tegen bladluis te worden gebruikt, maar het pakket was te prijzig. In 2024 is daarom getest of een kleiner pakket ook werkt. Begin zelf met de roofgalmug en een sluipwesp uit het onderdeel over roofgalmuggen en sluipwespen, en loop de bladluishaarden wekelijks na.

Een vervolgproef liet ook de grens zien. Toen de bladluisdruk in week 13 piekte, waren de natuurlijke vijanden er niet meer tegen opgewassen en moest het hele gewas met een middel worden behandeld; de natuurlijke vijanden drukten de resterende luis daarna terug tot een zeer laag niveau. Er vliegen bovendien vanzelf sluipwespen van het geslacht Praon de kas in, die in de proef na de roofgalmug het vaakst in de bladluishaarden werden gevonden. Zet de biologische bestrijders daarom vroeg in, vóór de luis zich uitbreidt, en leg elke ingreep met een middel vast in uw spuitregistratie.

Melige koolluis biologisch bestrijden in de koolteelt

In de koolteelt blijven melige koolluis en koolwittevlieg hardnekkige plagen, en klassieke middelen zijn in de biologische teelt vaak beperkt. Sluipwespen zijn doeltreffende natuurlijke vijanden van melige koolluis. Geparasiteerde luizen herkent u aan de bruingouden kleur en het opgezwollen lijf.

Levende bestrijder of biologisch bestrijdingsmiddel tegen bladluis

Voor levende bestrijders geldt de toestemming voor uitzetten. Vergunningvrije soorten staan in bijlage VIIb van de Omgevingsregeling. Kopers kunnen een commercieel product uitzetten onder de omgevingsvergunning van de producent als hun gebruik daaronder valt. Het veelkleurig Aziatisch lieveheersbeestje eet naast bladluizen ook inheemse dieren. Controleer daarom de soort en toestemming vóór aankoop.

Een fles met plantenextracten of micro-organismen volgt de route voor gewasbeschermingsmiddelen. Ook groene en biologische middelen hebben een Nederlandse toelating nodig. Zoek in de Ctgb-databank de toegestane teelt, aantaster en toepassing op.

Roofgalmuggen en sluipwespen uitzetten in de kas

Aphidend bevat de roofgalmug Aphidoletes aphidimyza. Volwassen galmuggen komen uit poppen en leggen eieren in bladluiskolonies. Hun larven eten de luizen; alleen de huid blijft over. Open de fles in de kas en zet haar op de grond of steenwolmatten, of hang haar tussen planten. Strooi de inhoud niet uit: de uitgekomen galmuggen verlaten zelf de fles.

Begin zodra u de eerste bladluizen waarneemt. Stem de dosering af op klimaat, gewas en bladluisdichtheid. De roofgalmuggen werken het best bij twintig tot dertig graden Celsius en hoge luchtvochtigheid. Voor eileg moet de nachttemperatuur minimaal twaalf graden zijn. Hoge aantallen generalistische roofmijten, vooral Amblyseius swirskii, kunnen de galmugeieren opeten. Controleer daarom de combinatie met andere bestrijders.

Leafwrit

Houd uw spuitregistratie op één plek bij. Gratis beginnen.

Aphipar bevat Aphidius colemani, een sluipwesp tegen vooral katoenluis en Myzus-soorten. Vrouwtjes leggen hun eieren in de luis. Die verandert in een bruinachtige, leerachtige mummie. De volwassen wesp komt via een gaatje aan de achterkant naar buiten. Strooi het materiaal op steenwolmatten of in doseerdoosjes. Houd het droog en laat het minimaal enkele dagen liggen.

Begin preventief met Aphipar kort na het planten. De sluipwespen werken het best tussen twintig en vijfentwintig graden Celsius. Boven dertig graden neemt de effectiviteit af. Pas de sluipwespen zo snel mogelijk na ontvangst toe. Bewaar het product zo nodig één tot twee dagen bij acht tot tien graden, in het donker. De eerste mummies verschijnen ongeveer tien tot veertien dagen na uitzetten. Gebruik doorgaans 0,25 tot 4 sluipwespen per vierkante meter per uitzetting. Herhaal minimaal driemaal.

Levende luizen onderscheiden van huidjes en mummies

Volwassen bladluizen kunnen gevleugeld of ongevleugeld zijn. Gedurende een groot deel van het seizoen worden levende nimfen geboren. Die beginnen direct plantensap op te nemen. Andere generaties planten zich geslachtelijk voort en leggen overwinterende eieren.

Witte vervellingshuidjes blijven na de groei achter. Tel ze afzonderlijk van levende dieren. Veel bladluizen hebben een zacht, peervormig lichaam met lange poten en antennen. Twee buisvormige sifonen staan bij veel soorten achter op het achterlijf. De kleur verschilt per soort en waardplant. De meeste bladluizen lopen bij verstoring niet snel weg.

Appelbloedluis biologisch bestrijden in de appelteelt

Zoek op appelhout naar kolonies onder witte was. De donkergekleurde appelbloedluis maakt die was zelf. Ze zuigt aan houtige stengels; op aangetaste scheuten kunnen zachte, knobbelige verdikkingen ontstaan. Naast appel zijn vuurdoorn en Cotoneaster waardplanten. De witte bedekking kan op schimmel lijken.

Controleer vanaf het voorjaar geregeld oude snoeiplekken. Daar verschijnen vaak de eerste kolonies. Later kunnen luizen naar jonge scheuten uitbreiden. Wrijf bereikbare kolonies met de hand fijn. Ondersteun ook natuurlijke vijanden: lieveheersbeestjes, zweefvliegen, sluipwespen, loopkevers en oorwormen eten of parasiteren bladluizen.

Oorwormen kunnen aantallen bladluizen op fruitbomen verminderen. Bloempotten die los met hooi zijn gevuld, bieden schuilplaatsen. In het voorjaar kunnen luizen zich eerder uitbreiden dan hun natuurlijke vijanden. Controleer bij een volgende rondgang daarom opnieuw levende kolonies en aanwezige bestrijders.

Jonge appelbloedluizen overwinteren in schorsspleten en oude aantastingsplekken. De kenmerkende witte was ontbreekt in de winter. Bekijk dan ook de verdikkingen aan scheuten. Deze kunnen door vorst openscheuren en een ingang vormen voor de schimmel die vruchtboomkanker veroorzaakt.

Appelbloedluis heeft korte antennen en weinig opvallende sifonen. Ondergronds kunnen luizen aan wortels zuigen en wratachtige gallen veroorzaken. Zware wortelaantasting kan de groei remmen. Onderzoek bij groeiproblemen daarom ook de wortelzone.

De sluipwesp Aphelinus mali parasiteert bovengrondse kolonies. Geparasiteerde luizen worden donkerder en zwellen op tot mummies. Na het uitkomen kan een ronde opening zichtbaar zijn. Houd bij de telling levende luizen, gesloten mummies en lege mummies uit elkaar.

Bloedblaarluis biologisch beheersen in de bessenteelt

Bloedblaarluis, Cryptomyzus ribis, zuigt aan de bladonderzijde van rode, witte en zwarte bessen. De lichtgele luizen kunnen ongeveer tweeënhalve millimeter lang worden. Hun afscheidingen veroorzaken bobbels, vervorming en verkleuring van het blad. Aan scheuttoppen ontstaan roodachtige of geelgroene blaren.

Draai bladeren om en zoek onder de blaren naar levende kolonies. Rode blaren kunnen blijven zitten nadat gevleugelde luizen in de zomer naar bosandoorn, Stachys sylvatica, zijn verhuisd. Het beschadigde bessenblad blijft tot de bladval zichtbaar. In het najaar keren luizen terug en leggen ze overwinterende eieren.

Controleer struiken vanaf het voorjaar geregeld. Op bereikbare bladeren kunt u kolonies met de vingers verwijderen. Gevestigde struiken groeien vaak door en kunnen ondanks enige schade een goede oogst geven. Lieveheersbeestjes, loopkevers, zweefvliegen, sluipwespen en oorwormen behoren tot de natuurlijke vijanden. In het voorjaar kan de luispopulatie toenemen voordat die vijanden voldoende actief zijn.

Andere bladluizen op bessen veroorzaken deze kenmerkende blaren niet. Bekijk daarom bovenkant én onderkant van het aangetaste blad en fotografeer beide kanten.

Natuurlijke vijanden op het blad herkennen

Gaasvlieglarven hebben gebogen grijpkaken. Zweefvlieglarven zijn pootloos en lijken op brede maden. Geparasiteerde luizen kunnen als opgeblazen witbruine mummies achterblijven.

Volgende stap

Controleer vóór het uitzetten de soorten en toestemming voor biologische bestrijders.